
In de Groene Amsterdammer van week 14 (2010) staat een artikel over korte verhalen, geschreven door Ton Rozeman. In dit artikel komt ook Vogels die vlees eten van Thijs de Boer ter sprake. Dit is een fragment uit het artikel:
Maar toch, de ontwikkelingen hebben sinds Tsjechov niet stilgestaan. We zijn ruim een eeuw verder, een eeuw waarin dankzij film een steeds snellere montage zijn intrede deed, een eeuw ook die ons Freud en stream of consciousness bracht. En niet te vergeten: de pil en nieuwe man-vrouwverhoudingen en een leven dat we zelf blijken vorm te moeten geven. Allemaal elementen die we terugvinden in een even fraai als aangrijpend debuut dat deze maand verschijnt: Vogels die vlees eten van Thijs de Boer. Net als bij Tsjechov zijn de personages van De Boer op zoek naar een verhaal en treffen we vertellingen aan die het niet van een plot hoeven te hebben. Maar dan wel anno 2010.
#
In het openingsverhaal Loopdrang zit de hoofdpersoon in een inrichting. Er worden hem vragen gesteld. ‘Zie je vaak iets vanuit je ooghoek dat er later niet blijkt te zijn? (…) Kun je nog huilen? (…) Zou je nu, in dezelfde situatie, weer hetzelfde doen?’ De therapeuten zijn op zoek naar het verhaal van de hoofdpersoon, naar wat hem drijft. Maar het verhaal dat de hoofdpersoon ons vertelt, ontwijkt al die vragen. Hij vertelt over zijn medepatiënten, over de vorige bewoners, over een hond die dagelijks op bezoek komt.
Iets gebeuren doet er niet echt. Het verhaal brengt vooral een gevoel over, iets onbenoembaars, iets dat zich alleen tussen de regels laat lezen. ‘En hier ben ik, tussen al deze gekken. En het enige wat we allemaal met elkaar gemeen hebben, is dat we willen vergeten.’
Deze vertelling die de essentie bewust ontwijkt, is voor de hoofdpersoon nodig om zijn daadwerkelijke verhaal te verdringen, om niet gek te worden, om te overleven.
#
Ook Schoon, verreweg het langste van de tien verhalen in deze bundel, brengt vooral een gevoel over. Het laat zich niet navertellen, of je zou onrecht aandoen. De vertelling heeft iets te maken met de worsteling van het hoofdpersonage - een worsteling met zichzelf, met zijn vader, met zijn psychiater, met zijn medicijnen, met vrouwen.
‘En ik begin: “Waarom heb je mij afgestaan toen ik nog een baby was? Waarom heb je dat gedaan? Waarom heb je niet geprobeerd me zelf op te voeden?” En hij zegt: “Wát? Wát zeg je nou?” En ik heb het gevoel dat ik begin te zweven. En dat alleen nog mijn hoofd bestaat. Ik zeg: “Nadat mama dood was gegaan, waarom heb je me afgestaan?” En hij zegt: “Waar heb je het over? Ik heb je nooit afgestaan.” Hij zegt: “En met mama is alles goed.”’
Hier hebben we een hoofdpersoon die zichzelf iets wijs probeert te maken. Naar het waarom daarvan kunnen we alleen maar gissen - we zijn slechts getuige van een personage dat in een baan om zichzelf draait, we komen niet tot zijn kern. Maar dat draaien suggereert wel dat er een kern is, en dat is genoeg - het levert een hoop moois op: ‘Ik ben niet speciaal. Ik verzin verhalen zodat ik kan denken dat ik het ben. Maar ik ben het niet.’ En ook: ‘Het is niet dat ik de weg kwijt ben. Het is meer dat ik in de verkeerde doolhof zit.’
Vogels die vlees eten is een bundel waar je eindeloos uit wil citeren. Maar het zijn niet zo maar mooie citaten. Ze passen precies binnen het verhaal, ze zijn de dichtst mogelijke benadering van de kern. De Boer reikt zijn personages geen afgerond verhaal aan, hij geeft ze slecht fragmenten, en tezamen vormen die fragmenten een doolhof waarin ze het zelf maar moeten uitzoeken.
<<<<>>>>